Veel gemaakte fouten

 

Het onderkennen van je eigen fouten is de eerste stap om een betere motorrijder te worden. Daarom hieronder veelgemaakte fouten en hoe je deze kunt voorkomen.

Fout: ervan uitgaan dat andere weggebruikers niet tegelijkertijd zullen inhalen
Hoe vaak was je niet net bezig een langzaam bewegend voertuig in te halen, dat een auto voor je uit de rij achter hem precies op dat moment ook de gok waagde? Frustrerend als je hem op tijd hebt gezien, ronduit gevaarlijk als je hem niet ziet.
Ga ervan uit dat de bestuurder jou niet heeft gezien, laat staan dat hij rekening met je houdt. Hoe sneller de wagen, hoe ongeduldiger vaak de bestuurder, hoe groter de kans dat hij ook daadwerkelijk zal inhalen. Ga ervan uit dat de bestuurder van een auto niet in zijn spiegel of naast zich in de dode hoek kijkt voordat hij uitwijkt. Gefrustreerd als hij is: hij ziet een gat en gaat ervoor - en pech voor jou als je naast hem rijdt. Rijd je naast hem, ga dan zo ver mogelijk naar de andere kant van de weg voor het geval hij uitzwenkt, met een snelheid waardoor je makkelijk terug kunt zakken mocht de nood aan de man komen.
Sta je op het punt om in te halen, rijd dan niet te kort achter hem. Doe alsof er een groot stuk elastiek aan het voertuig vastzit dat je in wilt halen. Is je zicht naar voren geblokkeerd, zak dan terug (stretch het elastiek). Terwijl je naar voren scant probeer je te voorspellen wanneer je weer ruim zicht krijgt (bijvoorbeeld aan het eind van de bocht) en begint te versnellen met de bedoeling om in de juiste positie te zijn wanneer de weg voor je weer vrij is. Meestal is het eind van de bocht de beste en veiligste plek om in te halen.

Fout: te krampachtig/gespannen rijden
Om snel, soepel, veilig en aandachtig motor te kunnen rijden hoef je niet per se eerst een yogacursus te volgen, maar het is wel belangrijk ontspannen te zijn. Denk terug aan die keer dat je door een snelle rijder ingehaald werd. Toen de stofwolk neergedaald was, was je niet alleen kwaad, maar je voelde je opgejaagd. Door je grillige rijgedrag had je vervolgens het gevoel dat je heel snel ging, maar het schoot niet echt op en hij reed hoe langer hoe verder bij je vandaan. Door je te ontspannen en geleidelijk te versnellen, zelfs al denk je dat je daardoor langzamer gaat, is de kans groot dat je hem wel in kunt halen.
Verkrampen is een heel natuurlijke reactie. Vlieg bijna uit de bocht en door angst verkrampen je armen en benen. Je stijfheid belemmert de beweging van de vering van je motor (je vecht als het ware tegen zijn beweging), wat het risico vergroot om de controle te verliezen. Doordat je hier bang voor bent raak je nog meer gespannen en als deze negatieve spiraal niet doorbroken wordt, zul je uiteindelijk echt de controle over je motor verliezen en onderuitgaan.
Denk je dat dit echt niet voor jou geldt? Een simpele test: zoek een bocht en klapper je ellebogen op en neer terwijl je deze rijdt. Als deze rare beweging je motor uit balans brengt, dan houd je te krampachtig vast. Te krampachtig vasthouden verhoogt ook het risico op een tankslapper.

Fout: de meeste aanwijzingen in je zichtveld niet opmerken
De beste motorrijders zijn zij die elke mogelijke aanwijzing gebruiken om te zien waar de weg heen voert. Daardoor hebben ze voldoende tijd om te reageren op het constant wisselende beeld zonder angst dat ze in hun vaart belemmerd worden door onvoorziene zaken.
Het grote voordeel van een motor is, dat deze zich van de ene naar de andere kant van de weg kan bewegen om het zicht te vergroten. Rijd altijd op het gedeelte van de weg dat jou het meeste zicht geeft, tenzij het wegdek of andere obstakels je daarin belemmeren. Dit geldt vooral bij het naderen van een bocht. Het verdwijnpunt (het punt waar de weg uit je zicht verdwijnt) wordt nu een handig versnelpunt. Komt dat punt dichter bij je, rem dan af of rijd met constante snelheid, want dat is een teken dat de bocht krapper wordt. Raakt dat punt verder weg, dan wordt de bocht wijder en kun je meer gas geven.
Een goede test is om elk risico dat je ziet te beschrijven, en zaken als waar de weg voor je heengaat en hoe de staat van het wegdek is. Dit helpt je bij het gebruikmaken van de dingen die je ziet. Zo kun je onder andere beter inschatten waar en wanneer je extra gas kunt geven.

Fout: rijden alsof elk wegdek hetzelfde is
Twee zaken houden je op de weg: je banden en het wegdek. Zonder goed contact tussen deze twee wordt het een zware rit. Houd het wegdek in de gaten en leer hoe je motor aanvoelt als je op verschillende soorten wegdek rijdt. We weten allemaal wat er gebeurt als we afgeschuind over een putdeksel of metaal rijden, maar sommige gedeelten van het wegdek, zoals de zwarte lijnen in de bitumen waar de weg versleten is door auto's, zijn vaak net zo glad. Door het wegdek te lezen word je alvast gewaarschuwd voor wat zich na de volgende bocht bevindt. Veel slipsporen bijvoorbeeld kunnen een aanwijzing zijn dat de volgende bocht waarschijnlijk krapper is dan je in eerste instantie zou verwachten. En vergeet ook het rubber van je banden niet. Veel motorrijders gaan met nieuwe banden onderuit. Rijd nieuwe banden eerst rustig in.

Fout: onhandig gasgebruik
Snel te kunnen rijden vergt wel iets meer dan simpel je gas opentrekken. En alleen door juist gas te geven ga je lekker snel door een bocht. Neem de tijd om aan te voelen hoe je motor reageert op je gasinbreng. Ga naar een bocht die je goed kent en neem deze bocht wat langzamer dan je gewend bent. Zodra je in de bocht zit open je rustig het gas. Constant gasgeven stabiliseert de motor. Zodra je je motor kantelt, geef je onmiddellijk een klein beetje gas. Doe dit zo soepel mogelijk. Je kunt nu veel beter voelen wat de voorband doet en je zult je veel zekerder voelen. Als je gas geeft door de bocht heen, komt er meer druk op het achterwiel en je voorwiel zal nooit eerder slippen dan het achterwiel. Te veel gas geven echter laat je achterwiel slingeren, de voorkant wordt lichter en je hebt daardoor minder controle over de voorkant. Gas terugnemen laadt meer gewicht op de voorkant, met de kans dat je voorwiel slipt. Dus houd het gas in een bocht constant en geef naar het uiteinde van de bocht meer gas om soepel de bocht uit te kunnen rijden. Hoe meer je motor rechtop staat, hoe meer gas je kunt geven, omdat je meer contact hebt met het wegdek, waardoor je minder kans hebt om te slippen. Niet te abrupt gas geven, omdat daardoor je achterwiel kan slippen. Ga ook niet in een te hoge versnelling door de bocht. Zorg ervoor dat je in een versnelling zit waarmee je de hele bocht door kunt, omdat je in een bocht absoluut niet moet schakelen. Hierdoor wordt je motor instabiel. Door het hogere toerental zal je motor minder snel slippen.

Fout: te snel tussen het verkeer door
Het is druk, je moet naar je werk en je rijdt tussen de file door. Kijk voortdurend in je spiegels voor weggebruikers die nog ongeduldiger zijn dan jij. Kijk goed naar voren voor bewegende auto's en busjes. Kijk naar hun wielen of ze niet van rijstrook wisselen. Kijk naar de bestuurders. Kijken ze in hun spiegel? Draaien ze met hun hoofd? Kijk voor elk signaal dat aangeeft dat ze van positie willen veranderen. Het snelheidsverschil als je de file passeert mag niet groter zijn dan 10 km/h. Zo voorkom je onnodige irritatie bij automobilisten.

Fout: je ketting te strak spannen
Heb je de ketting van je motor te strak gespannen, dan kan daardoor de beweging van je achtervork nadelig beïnvloed worden en heb je eigenlijk een extra en onvoorspelbare demper. Kijk je handleiding erop na hoeveel speling je ketting standaard dient te hebben. Dit zal over het algemeen iets van drie centimeter zijn. Dat lijkt los als je dat van de zijkant bekijkt, maar met je eigen gewicht op de motor maakt het al behoorlijk verschil. De speling meet je in de onderste helft van je ketting, midden tussen de tandwielen. Let erop dat het achterwiel perfect uitgelijnd blijft tijdens het opspannen. Een ketting die om de haverklap gespannen dient te worden is aan vervanging toe.

Fout: niet goed kijken bij invoegstroken
Je perifere gezichtsveld heeft de neiging alleen iets te registreren wat beweegt. Bovendien wordt het perifere deel van je gezichtsveld ook nog eens sterk beperkt door je helm. Komt een vrachtwagen je tegemoet vanaf een oprit, dan zal je perifere zicht dit alleen oppikken als deze snel genoeg rijdt om voor je in te kunnen voegen of langzaam genoeg om achter je aan te sluiten (zie het artikel over motion camouflage). Maar je zult hem niet snel waarnemen als hij evenwijdig aan je rijdt, omdat hij zich met dezelfde relatieve snelheid als jij voortbeweegt. Om hem goed waar te kunnen nemen, moet je daarom je hoofd naar de invoegstrook draaien. Door hier rechtstreeks heen te kijken ben je in staat elk risico waar te nemen.

Fout: te vroege apex (snijpunt)
Een bocht nemen zonder dat je ziet waar deze eindigt is vaak lastig. Je kunt te vroeg naar het verwachte snijpunt rijden en merken dat je richting het trottoir rijdt en vervolgens de werkelijke apex moeten kiezen om de bocht door te komen. Daarom is het belangrijk de juiste positie te kiezen voor je een bocht neemt vanwaar je een goed overzicht hebt in de bocht en waardoor je meer (reserve)ruimte overhoudt bij het nemen van die bocht. Bij een bocht naar rechts begin je zoveel mogelijk links en bij een bocht naar links zoveel mogelijk rechts. Kijk waar je heen wilt in plaats van zaken langs de weg. Een bocht naar rechts nader je rijdend tegen de middenstreep van de weg aan, zodat je verder de bocht in kunt kijken en daardoor eerder een mogelijke tegenligger ziet naderen. In de bocht zelf kun je dan weer wat meer je normale wegpositie opzoeken. Voor een bocht naar links ga je even uiterst rechts rijden. Op deze manier kun je een linkerbocht verder inkijken voor mogelijke tegenliggers of andere obstakels. In de bocht zelf kun je dan wat meer je normale rijpositie innemen en langzaam gas opbouwen.

Fout: iemand bijhouden boven je vermogen
Iemand met meer ervaring bij proberen te houden kan veel van je vergen. Je wilt je niet laten kennen, dus zeg je niets, maar wil ook liever niet afzonderlijk je weg vervolgen. Boven je vermogen rijden is echter gevaarlijk, dus zet absoluut je trots opzij en vraag of men rekening met je wil houden. Of spreek af dat je elkaar op een van te voren afgesproken locatie opwacht.
Bij het rijden in een groep rijdt de laatste persoon vaak veel harder dan de koprijder - dit vanwege de reactietijd die ligt tussen de beslissing van de kopman om het gas erop te zetten en de laatste rijder die dit uiteindelijk doorheeft. Het resultaat is dat de laatste rijder op een gegeven moment veel harder de volgende bocht door scheurt. Denk hieraan de volgende keer als je het voortouw voert.

Fout: indruk willen maken op je bijrijder
Bijrijders hebben een dramatisch effect op het gedrag van je motor. Snel rijden met een duopassagier achterop vergt dezelfde techniek als bij elke rit zonder duopassagier: soepel en ontspannen rijden. Rustig aan met het gas en met remmen. Je wilt niet dat je duopassagier over het zadel geslingerd wordt of dat jullie helmen elkaar raken. Met een duopassagier achterop kun je meer achterrem gebruiken dan wanneer je solo rijdt. Dit helpt de motor stabiliseren en zorgt ervoor dat je niet te veel in de vering duikt. Het extra gewicht op je achterwiel betekent dat de achterkant minder snel zal slippen dan normaal. Om dezelfde reden zal je achtervering sneller ineenduiken als je te hard gast, waardoor de voorkant omhoog komt.

Fout: natte wegen vermijden
Veel mensen vermijden het rijden bij nat weer omdat ze bang zijn dat hun motor vies wordt, dat ze te weinig grip hebben of omdat ze een hekel hebben aan regenkleding. Maar juist met nat weer kun je je rijvaardigheid vergroten door sneller en soepeler te rijden. Natuurlijk heb je minder speling als het nat is, maar daar kun je op inspelen. Matig gebruik van het gas, soepele bewegingen en geleidelijk remmen zijn natweertechnieken die als je ze goed beheerst, ervoor zorgen dat je beter rijdt met droog weer.

Fout: niet goed inspelen op gevaren in de heuvels
Je moet kunnen stoppen binnen de afstand waarin je alles kunt overzien. Kun je de weg niet goed overzien, pas dan je snelheid aan. Onoverzichtelijke heuvels zijn daarvan een goed voorbeeld. Lekker over een heuvel scheuren en gelanceerd worden achter in een voorganger is geen prettig idee. Positioneer jezelf halverwege de witte lijn en de rand van de weg. Zo heb je ruimte om te reageren op langzaam rijdend landbouwverkeer voor je en auto's die de bocht te ruim nemen aan de andere kant van de heuvel.

Fout: niet goed beheersen van een noodstop
Te hard in de remmen of niet het maximale vermogen van je motor om te remmen aanspreken uit angst voor geblokkeerde remmen zijn een paar van de meest gemaakte fouten bij het motorrijden. Door een goede observatie van de weg voor je zul je in de meeste gevallen kunnen vermijden dat je hard in de remmen moet. Maar dit is nooit een garantie dat zich niet onverwachts iets voordoet waardoor een noodstop toch onvermijdelijk is.
In een noodsituatie is elke vertraging welkom. Gebruik daarom voor- en achterrem. Oefen een noodstop op een rustig, vlak stuk weg, eerst bij lage snelheid en vervolgens de snelheid telkens iets opvoeren. Knijp de koppeling in, hoofd in de nek en in de verte kijken, voorrem aanzetten en dan pas doorknijpen, remmen met voor- en achterrem. Zodra je merkt dat je voorrem blokkeert, loslaten en opnieuw aanzetten.
Remmen in een bocht is niet aan te raden. Vooral het gebruik van de voorrem in een bocht leidt snel tot een slip.