Vroege, normale of late apex

 

Het raakpunt van de ideale rijlijn met de binnenkant van de bocht heet de apex, oftewel het snijpunt van een bocht. Veilig een bocht nemen met de motor houdt in: lang buiten blijven, zo mogelijk laat omgooien en het snijpunt (de apex) liefst zo ver mogelijk naar de buitenkant verleggen! Omdat dat late omgooien tegen onze natuur ingaat, zoveel mogelijk oefenen.

Hieronder diverse afbeeldingen geplaatst. We zullen het hebben over een vroege, normale en late apex. Op alle drie de manieren kom je wel de bocht door. Maar de mate van veiligheid en snelheid waarmee je de bocht uitrijdt verschilt in al deze gevallen.

In onderstaande voorbeelden zie je een rode stippellijn. Dit is de rijrichting van de motor, waarbij de motorrijder aan de buitenkant van de rijstrook begint en ook weer eindigt. In dit voorbeeld zie je de binnenkant van de bocht, waarbij de motorrijder zich in de rijstrook met de kleinste radius bevindt en zich dus dicht bij de zijkant van de weg (berm, vangrail of bergwand) bevindt terwijl hij de bocht snijdt.

Vroege apex: de motorrijder 'draait' vroeg in de bocht. Dit plaatst de motor vroegtijdig dicht bij de binnenkant van de bocht, waardoor een scherpere draai aan het eind van de bocht nodig is om de motor weer rechtop te zetten. Dit geeft de motorrijder de laagste exit-snelheid en is ook gevaarlijk in onoverzichtelijke bochten, zoals je in onderstaand voorbeeld goed kunt zien.

Normale apex: hierbij staan het indraaipunt en het eind van de bocht op gelijke afstand ten opzichte van het midden van de bocht. Zie je de bocht van de bovenkant, zoals in dit voorbeeld, dan zie je dat de ingang en uitgang van de bocht een gelijkmatige boog vormen. Bij normaal ontspannen rijden is dit een gebruikelijke manier om de bocht te nemen.

Late apex: dit is de meest efficiënte manier om een bocht te nemen, maar vereist wel de hoogste doorgangssnelheid. Door de motor laat in de bocht te laten vallen zal de rijder een lagere ingangssnelheid nodig hebben, maar door de betrekkelijk rechte lijn door de bocht resulteert dit in de hoogst mogelijke snelheid bij het uitrijden. Deze methode is de veiligste, omdat de rijder veel verder door de bocht kan kijken voordat hij de motor inkantelt, zodat hij tegemoetkomend verkeer kan ontwijken.




Wanneer motorrijders het hebben over een late apex, discussiëren ze meestal over manieren om hun snelheid te kunnen behouden en efficiënter te kunnen rijden. Ook al kan het soms handig zijn om sneller de bocht door te kunnen komen, er zijn meer - praktische - redenen om je inkantelpunt uit te stellen.

Onderstaande voorbeelden laten een situatie zien waarbij een motor en auto beide tegelijkertijd een bocht naderen, de auto aan de buitenkant van de bocht en de motor aan de binnenkant. We zullen er bij dit voorbeeld vanuit gaan dat de auto onvoldoende snelheid heeft geminderd om veilig de bocht door te kunnen navigeren.




Wanneer een voertuig de buitenkant van een bocht te snel nadert, zoals in dit voorbeeld, zal hij bijna altijd over de middenlijn geraken richting het beginpunt van de bocht. Deze sectie is aangegeven door oranje dwarsstrepen. Als de motorrijder de vroege apex genomen had, zou hij geëindigd zijn tegen de gele streep, precies op de plek waar de auto oversteekt, dwars door de gevarenzone. Door de bocht laat in te zetten en een late apex aan te houden, zal de motorrijder buiten deze gevarenzone blijven en een mogelijk ongeval vermijden. Daardoor kan hij ook verder door een onoverzichtelijke bocht kijken, waardoor de veiligheid verhoogd wordt en de kans op een ongeval geminimaliseerd.

 




Terwijl het diagram hierboven in theorie dus een ideale lijn door de bocht aangeeft, is het toch belangrijk stil te staan bij het feit dat de praktijk vaak verre van ideaal is. Een belangrijk verschil tussen auto's en motoren is dat motoren kantelen. Terwijl dat het hele punt is van het motorrijden, heeft het toch aanmerkelijke consequenties als je dat even vergeet in een bocht. Voor bochten naar rechts betekent dit dat je wat ruimte tussen de berm en je motor laat. In de bergen is het heel normaal dat er helemaal geen berm aan de zijkant van de weg zit. Voor een motorrijder betekent dit dat als je daar te dicht bij de kant van de weg zit, en je je motor kantelt, je de zijkant van de berg kunt raken en kunt vallen. Vuil, grind en steentjes zullen vaak tegen de zijkant van de weg rollen. Door voldoende ruimte aan de zijkant te houden, ben je in staat dit risico te ontwijken.