Bochten

 

Vooral als je net je motorrijbewijs hebt, wil het nog wel eens voorkomen dat de angst toeslaat bij het nemen van een bocht, vooral bij hoge snelheden. Doordat je het gevoel hebt dat je eerder valt met je motor als deze in een bocht leunt, ben je daardoor geneigd de bocht dan maar met een (te) lage snelheid te nemen. En daardoor leer je je motor weer niet ver genoeg in de bocht te leunen. Want hoe lager je snelheid, hoe minder je motor in staat is te kantelen. Zo wordt je veel plezier van het motorrijden ontnomen, want er is niets mooier dan het lekker en uiteraard met voldoende snelheid rijden van bochten.

De angst voor omvallen als gevolg van kantelen in een bocht is ongegrond. Natuurlijk ben je kwetsbaarder als je motor overgeheld in de bocht hangt, maar dat heeft meer te maken met de toestand van het wegdek, de verkeerssituatie en je eigen handelen dan met het feit dat je motor überhaupt afgeschuind is. Wanneer de krachten die je oproept tijdens het rijden van een bocht groter worden dan wat de banden op het wegdek aankunnen, zal je motor inderdaad onderuit gaan (belang van goede motorbanden en bandendruk). Als je precies zó schuin door de bocht te gaan dat je niet omvalt of uit de bocht vliegt, lever je een zogenaamde middelpuntzoekende kracht. De zwaartekracht (die naar beneden trekt) en de normaalkracht (die omhoog duwt) zorgen er samen met de grip van de banden op het wegdek voor dat je in bochten naar binnen wordt getrokken. Als je hard door een bocht rijdt, heb je een zijdelingse kracht nodig om door de bocht te komen, anders vlieg je uit de bocht. Die kracht wordt dus geleverd door de banden die ‘grip’ hebben op de weg.

Krachten op een motor in de bocht. De zijwaartse wrijvingskracht levert de middelpuntzoekende kracht. De motor zal niet kantelen als de resultante van Fn (normaalkracht oftewel zwaartekracht) en Fw,zijw door het zwaartepunt Z gaat. De som van de momenten om Z is dan nul.

Als je boven de 20 kilometer per uur rijdt, en je banden hebben contact met de weg, dan zal je motor in een bocht onder normale omstandigheden nooit omvallen, omdat deze voldoende zijwaartse wrijvingskracht opwekt. Het enige moment dat je moet balanceren is met een snelheid zo langzaam dat tegensturen geen effect heeft. Boven die snelheid kun je zelfs niet eens meer sturen en zal je machine de natuurwetten volgen, zelfs als jij dat niet doet. Je hoeft zelf niet te bepalen hoe groot je hellingshoek zal zijn. Dat doet je motor automatisch voor je. Een motor heeft een laag zwaartepunt en is daardoor heel stabiel. Hoe lager het zwaartepunt, hoe stabieler je motor. Maar ook: hoe steiler je voorvork, hoe kleiner de naloop, des te meer controle in snelle bochten.


Hoe meer je je zwaartepunt verplaatst, door te kantelen, hoe lager je zwaartepunt wordt en hoe groter de kracht die je naar de binnenkant van de bocht probeert te trekken. De grootte van de centripetaalkracht die nodig is om een voorwerp ‘de bocht door te krijgen’ hangt af van de massa en de snelheid van het voorwerp, en van de straal van de cirkelbaan waarin het voorwerp beweegt. Hoe groter de snelheid en hoe kleiner de radius, hoe steiler je hellingshoek is. Minder centripetaalkracht resulteert in een kleinere hellingshoek, meer centripetaalkracht in een grotere hellingshoek. Je kunt zelf de centripetaalkracht dus beïnvloeden door de snelheid te veranderen of de radius van de bocht te wijzigen. Coureurs trekken met hun been de motor in de bocht naar zich toe als hij gaat slippen. Hiermee wordt de band ontlast en krijgt een lagere dwarskracht, de centripetaalkracht neemt af.
Door meer in de bocht te leunen of je gewicht te verplaatsen vergroot je de centripetaalkracht.


Ook snelheid is van invloed. Dus als je bij 60 kilometer per uur in een bepaalde bocht rijdt, dan zal je hellingshoek 30 graden kunnen zijn, versnel je tot 80 kilometer in diezelfde bocht, dan zou je hellingshoek 35 graden kunnen zijn. Het feit dat je uit de bocht kunt vliegen: massa gaat van nature rechtdoor (traagheid), en als er geen kracht op werkt gaat hij dus ook écht rechtdoor. Door je 'trage' motor wordt weerstand geboden aan middelpuntzoekende kracht. Is de centripetaalkracht te klein, dan vlieg je uit de bocht. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat er te weinig wrijvingskracht is, oftewel je banden hebben te weinig grip.
Dit gegeven is erg belangrijk. Het is dus niet alleen onmogelijk dat de hellingshoek kleiner wordt dan de krachten die op je inwerken, maar het kan ook niet groter worden dan dat - dus kun je niet omvallen onder normale omstandigheden! Zou de motor om kunnen vallen, dan zou de hellingshoek veel groter moeten zijn dan 45 graden. In dat geval zouden je voetsteunen hard over de grond schuren en je banden van de grond raken (waardoor je dan omvalt). Maar we hebben al gezien dat de hellingshoek nooit groter kan worden dan de hoek waarin de krachten balanceren. Om een hoek van 45 graden of meer te bereiken zou je opzettelijk je snelheid moeten veranderen of je radius moeten verkleinen. De centripetaalkracht wordt overgebracht van de weg naar de motor door het raakvlak van je band en staat in een rechte hoek op de rijrichting. Door te veel gas te geven zal de spanning in het raakvlak toenemen, omdat er een extra kracht doorgegeven moet worden via de band, deze keer parallel aan de rijrichting. Deze extra hoeveelheid kracht kan een band laten slippen.

In het kort: zelf kun je alleen de richting en snelheid van je motor bepalen. De richting en snelheid bepalen je uiteindelijke hellingshoek. Heb je een hoek van 40 graden bereikt, als je je snelheid dan niet verhoogt of je radius verkleint, dan zal je motor exact die hellingshoek behouden. Dus kun je niet omvallen. Dit geldt voor elke hellingshoek.
Zolang je banden grip hebben en geen delen van je motor over de grond slepen, kun je in principe niet omvallen.


Onder normale omstandigheden kun je in principe doordat je motor erg stabiel is niet omvallen. Dat wil zeggen, zolang je banden grip hebben. Deze grip hangt onder andere af van de toestand van je banden, de toestand van het wegdek en de inbreng van de rijder.

Grip
Voor een optimale grip moet je de krachten beheersen die op beide banden inwerken. De hoeveelheid grip die je tot je beschikking hebt is je veiligheidsmarge. Hoe groter de hoeveelheid grip, hoe groter je veiligheid.

Wat is grip?

Definitie: de frictie tussen de weg en je band.

Voortstuwingskracht wordt geproduceerd wanneer (drijf)kracht van het motorvermogen overgebracht wordt op het achterwiel.
Zijdelingse kracht betekent de kracht, nodig voor het volgen van je lijn, balanceren en beheersen van je hellingshoek, zoals krachten die nodig zijn om de zwaartekracht te overwinnen op een hellende weg, krachten om zijwinden te forceren, krachten om te kunnen draaien.
Remkracht is de kracht die wordt geproduceerd wanneer je remt, wanneer het gas dichtgedraaid wordt (deceleratie) en de kracht die geproduceerd wordt door de rollende grip van de band.

Grip wisselt voortdurend. De hoeveelheid wordt bepaald door onder andere:

 

  • De conditie van het wegdek - zand en steentjes, water op de weg, putdeksels, gaten, scheuren, compositie van het wegmateriaal (asfalt, beton, steen, etc.), vervuiling (olie, antivries, remvloeistof, etc.), markeringen, bladeren en riooldeksels.

     

  • Samenstelling van je band: zachte, plakkerige banden hebben over het algemeen meer grip.

     

  • Bandendruk: een zachte (niet goed opgepompte) band kan in de bocht grip verliezen door de vervorming ten gevolge van de zijdelingse kracht.

     

  • Temperatuur van de band: warme banden hebben over het algemeen meer grip dan koude banden.

     

  • Slijtagepatroon van de band: het slijtagepatroon kan de hoeveelheid band die contact maakt met de weg beïnvloeden (contactvlak).

     

  • Belading van de band: de totale kracht die banden op de weg overbrengen, oftewel de totale bandenbelasting waardoor het contactvlak in het oppervlak gedrukt wordt; oftewel het gewicht van motor en rijder. Het totale gewicht (motor en rijder) verandert niet als je een bocht neemt, daarom is de hoeveelheid grip onder identieke omstandigheden gelijk, of je nou een bocht neemt of een rechte lijn rijdt. Maar gewichtsverplaatsing in een bocht (door accelereren en remmen) verandert wel de druk op elke afzonderlijke band; acceleratie schuift het gewicht naar het achterwiel en ontlast het voorwiel. Afremmen verplaatst gewicht naar het voorwiel en ontlast het achterwiel.

     

  • Inbreng van de rijder: er zijn diverse situaties denkbaar waardoor de stabiliteit (grip) van je motor in gevaar kan komen. De hoofdoorzaak is toch wel een verkeerde inbreng door de rijder.

Inbreng van de rijder
Voor het nemen van een bocht gebruiken we tegensturen. Voor een bocht naar links druk je op je linkerhandvat, voor een bocht naar rechts op je rechter. Als je motor in de bocht leunt, kun je de druk op je handvat iets laten vieren. Door de stuurgeometrie van je motor, het profiel van je banden en andere factoren stabiliseert je motor in een bocht. Hierdoor gaat je motor meestal zelfs zonder enige stuurinbreng vanzelf door de bocht. Dit geldt vooral voor hogere snelheden. Bij lage snelheden kan het soms nodig zijn toch nog bij te sturen.

 

  • Ontspannen
    Door te krampachtig vast te houden aan je stuurhelften, worden trillingen doorgegeven naar je handen en armen, waardoor je vermoeid/gevoelloos wordt en nog krampachtiger je stuur vast gaat houden. Alles lijkt erger als je je te krampachtig vasthoudt: de bobbels en gaten in het wegdek en het trillen van je motor. Het lijkt zelfs of je harder rijdt dan je in werkelijkheid doet.
    Bij het uitaccelereren van een bocht zal door het verkrampen aan je stuurhelften je motor hevig gaan schudden. Een vloeiende gasbeheersing is noodzaak voor het veilig uitaccelereren van een bocht.

    Ook je zicht wordt vertroebeld door een geforceerd lichaam, doordat hoofd en helm beginnen te schudden. Rijtechniek en machinebeheersing staan of vallen met het ontspannen van je lichaam.

     

  • Juiste gasdosering
    Een motorfiets in beweging vormt een redelijk stabiel geheel, als de rijder hem met rust laat. Zelfs al zou je gaan glijden, dan voel je dat hij ondanks alles solide aanvoelt terwijl je aan het glijden bent. Tenminste, als je het goed doet. Dat betekent niet je instinct volgen en het gas dicht draaien, maar de motor zijn werk laten doen. Wat vaak niet wordt begrepen is dat de motor zichzelf automatisch herstelt bij een slide. In een slide draait de voorkant zich naar de rijrichting van de machine – de richting van de slide. De hoofdmassa van de machine beweegt zich dan naar buiten en het voorwiel draait in dit geval met exact de juiste hoeveelheid om de stabiliteit te herstellen. Dit zit in het unieke design van je motor ingebouwd.
    Door echter je gas dicht te draaien bij een slide hervat de motor onmiddellijk grip, waardoor de motor veel te abrupt weer rechtop gaat staan. Dit is de eerste fase van een crash. Als je hem kunt opvangen voordat de achterkant te ver is weggestapt is het meestal geen probleem: dan schudt hij gewoon iets terwijl de wielen zich weer uitlijnen. Als je dan bovendien het gas niet helemaal dichtdraait is de motor veel stabieler dan wanneer je dit wel zou doen.

    Door een constante gasstand tijdens een slide of geleidelijk gas vermeerderen kun je de motor meestal gewoon weer grip terug laten pakken. Het gas dichtgooien zorgt alleen maar voor nog meer gewicht op de voorkant en dan heb je eigenlijk een wonder nodig om de boel nog te redden.
    Gebruik je gas met fluwelen handjes. Gassen en gas terugnemen zorgt voor gewichtsverplaatsing tussen de voor- en achterkant van je motor, waardoor het gewicht op je wiel verandert en daarmee de beschikbare grip voor elke afzonderlijke band. Hoe meer gewicht er op een wiel rust, hoe meer grip. Dat betekent echter niet dat een zwaardere motor meer grip zou hebben, want deze heeft ook meer massa die geremd moet worden. Dat valt dan tegen elkaar weg. Wel is een sportmotor wat remmen betreft het gunstigst: het voorwiel zit dicht bij de rest van de motor en de motor heeft een korte wielbasis. Het voorwiel krijgt gemakkelijk honderd procent van het gewicht te dragen en heeft dan optimaal grip (stoppie).

     

  • Lichaamsverplaatsing
    Je motor kan instabiel worden wanneer je naast je motor gaat hangen bij het nemen van een bocht. Dit is vaak het geval bij motorrijders die het tegensturen niet goed beheersen. Door het snel heen en weer verplaatsen van het lichaam en het hierdoor onbewust rukken aan de stuurhelften wordt je motor onrustig en gaat slingeren, vooral tijdens acceleren. Zet je daarentegen je been/knie tegen de tank bij het verplaatsen van je lichaam, dan wordt dit effect op de stuurhelften verminderd en het probleem voorkomen.
    Gebruik sowieso je voetsteunen voor het lichter maken van je lichaam tijdens lichaamsverplaatsing. Hierdoor wordt overmatig gebruik van de stuurhelften als steunpunt tot een minimum beperkt en verminderen de kansen op een te snel vermoeid lichaam.

     

  • Kijktechniek
    Een vooruitziende blik is erg belangrijk. Scan voortdurend het wegdek af en houd rekening met de beperkingen van je motor. Zorg ervoor dat je alle handelingen voor de bocht achter de rug hebt. Dat betekent voldoende snelheid minderen zodat als er zich iets onverwachts voordoet in de bocht, je ruimte over hebt om je motor eventueel recht op te zetten of ergens omheen te rijden. Een motor is niet stabiel wanneer je hard remt. Daarom kost het ook zoveel concentratie als je een bocht neemt. Je motor stabiliseert weer door gas te geven.

     

  • Reserve
    Zorg altijd dat je wat grip over hebt om deze te kunnen gebruiken als de situatie wijzigt. Een hogere snelheid in de bocht en een grotere hellingshoek verminderen de hoeveelheid beschikbare grip.

  • Hellingshoek
    In tegenovergestelde richting van je motor leunen vereist een grotere hellingshoek om een bocht te nemen. Daardoor zal je motor eerder met bepaalde onderdelen over de grond slepen waardoor je de controle over je motor kunt verliezen. Hoe groter de hellingshoek, hoe minder grip ook. Dit omdat minder rubber contact maakt met het wegdek. Gebruik een maximale draairadius als dat mogelijk of wenselijk is.

  • Onderhoud
    Goed motor- en bandenonderhoud is belangrijk om het risico te minimaliseren. Goed onderhouden banden, een goede bandendruk en voldoende profiel zijn uitermate belangrijk.

  • Duopassagier
    Kijk uit bij het rijden met een duopassagier. Dit beïnvloedt je vering en vergroot je stopafstand.

     

Mentale checklist
Zes symptomen wijzen je erop welk risico je eventueel loopt op een ongeval. Hoe meer van de volgende symptomen zich voordoen, hoe groter het risico dat je loopt:

 

  1. Verkrampt aan je stuur hangen, of je leven ervan afhangt.

     

  2. Grote mate van angst

     

  3. Correcties midden in je koers, door een bocht wiebelen in plaats van in één soepele beweging.

     

  4. Remmen in een bocht omdat je het gevoel hebt dat je te hard gaat.

     

  5. Tunnelvisie.

     

  6. Abrupt gassen.

Doen zich een of meerdere van deze symptomen voor, pas dan je snelheid aan en ontspan. Een manier om maximale grip in een bocht te verkrijgen is door je snelheid aan te passen en zo vloeiend mogelijk je motor te bedienen. Een goede techniek en een goede motordynamiek worden tenietgedaan door een te hoge snelheid.

 

Panoramablik in een bocht

Je rijdt waarnaar je kijkt. Eigenlijk is het beter om te zeggen: je kijkt waarheen je wilt. Dit is de stelregel als het gaat om kijktechniek bij het motorrijden. Je kijkrichting als motorrijder behelst veel meer dan alleen het juiste doel in het vizier nemen. Zonder een juiste kijktechniek zul je nooit werkelijk je doel kunnen verwezenlijken. En wat is je doel bij het motorrijden? Dat is onder andere veilig rijden, plezierig rijden, de techniek goed beheersen. Dat alles valt of staat met een juiste kijktechniek. Je kijktechniek bepaalt in hoge mate hoe vlot je de bocht doorkomt.

Oriëntatiepunten
Alles draait bij het motorrijden om ver vooruit te kijken en niet naar het gedeelte waar je je op dat moment bevindt. Focus je niet op de paar meter voor je voorband, maar kijk ver door de bocht heen. De juiste oriëntatie is belangrijk, omdat je anders nooit in staat bent eventuele risico's van tevoren in te schatten. Het geheim is jezelf duidelijke (oriëntatie)punten voor ogen te houden. Dat is vooral van toepassing in bochten. Door deze punten krijg je houvast, wordt een bocht minder eng en wordt je zelfvertrouwen vergroot. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rem- en kantelpunten, als inleiding op komende gebeurtenissen. Bij het verlaten van de bocht je blik alvast op het volgende punt (doel) gericht. Je rijdt dus in een bocht, waarbij je je blik al zover mogelijk in de rijrichting werpt, naar een (oriëntatie)punt dat al zichtbaar is. Dat punt - dat je dus kunt zien - ligt bij de bochtuitgang of alweer op het rechte gedeelte. Op weg daarheen zie je eigenlijk alleen dat punt, waarbij je over of langs andere punten voorbij rijdt die je vertellen dat je goed zit. Dat zijn belangrijke steunpunten bij het opbouwen van je panoramablik. Deze minder belangrijke punten zie je niet bewust en noemen we daarom in het vervolg merkpunten. Is het gekozen oriëntatiepunt bijna bereikt, kijk dan weer naar het volgende oriëntatiepunt, richt de gekozen rijlijn daarop en behandel het vorige oriëntatiepunt als merkpunt voor het bepalen van je lijn.

Merkpunten
We stellen dus bijna onbewust het passeren van diverse merkpunten vast, en wel om vanaf het beginpunt van de bocht naar de uitgang toe voortdurend controle te hebben over het stuk weg dat we rijden. Die merkpunten kunnen alle mogelijke vaste punten op een stuk weg zijn die je zien kunt, zoals een gat in het asfalt, een geverfde markering op de weg of een donkere vlek. Al bij het overzien van het gedeelte dat je rijdt en in je perifere gezichtsveld dienen zich deze merkpunten te bevinden, anders wordt je aandacht te veel van je oriëntatiepunt en de juiste lijn afgeleid (waar je heenkijkt, ga je heen). Binnen je panoramablik zie je al de merk- en oriëntatiepunten, en alles wat zich voor je afspeelt, waarbij je slechts kort je aandacht afhaalt van je oriëntatiepunt naar de merkpunten, om ervan verzekerd te zijn dat je op de goede weg bent. Uitsluitend je aandacht wisselt binnen je gezichtsveld, niet je blik!

Signalen
Elke keer wanneer je je oriëntatiepunt bereikt hebt, zul je over je merkpunten heen gereden zijn. Deze geven je de boodschap als: oppassen, afremmen, nu gas bijgeven, en boodschappen als: links voorbij rijden, dat houdt in dat je ook zaken als gaten in de weg en dergelijke beheerst. Zo kun je op bekend terrein de dingen alvast voorprogrammeren. De merkpunten moeten een duidelijke betekenis voor je hebben. het maakt niet uit wat het punt is en waar het ligt, als het je maar op het juiste moment aan het juiste herinnert.

Panoramablik
Je scant zo het gedeelte van de weg met alle details, zonder daarvoor veel van je aandacht te gebruiken, want het gaat erom bij je blik naar je oriëntatiepunt je aandacht kort over de merkpunten te laten gaan. Je richt je aandacht kort daarop, echter niet je ogen. Niet het heen en weer springen van je ogen, maar de wisselen van de aandacht in je gezichtsveld stuurt je blik en zorgt voor een wijde blik. Wanneer je na enige oefening de merkpunten juist stelt, zul je merken dat je het stuk weg in enkele je goed bekende meters kunt onderverdelen. De merkpunten helpen je herinnering aan dit gedeelte van de weg en wat er zich voordoet. Eén merkpunt is nuttig, twee zijn al beter en drie of vier merkpunten geven je plots het overzicht met welke ruimte in deze bocht je nog kunt werken.
Al bij het afremmen voor een bocht is het belangrijk je lijn in de bocht te bepalen en een oriëntatiepunt te kiezen. Zonder oriëntatiepunt of merkpunten mis je de oriëntering voor het punt waarop je moet remmen, waarop je je motor inkantelt, je lijn in de bocht, de passende snelheid en ga zo maar door.
Laat je niet door motorrijders voor je van de wijs brengen. Door je op je collega voor je te fixeren, rijd je niet meer je eigen lijn en bestaat het gevaar dat je daardoor van je eigen rijlijn afgeleid wordt. Rijders voor je zou je eigenlijk moeten beschouwen als een storende vlieg op een beeldscherm. Hierdoor laat je je niet afleiden, storende optische invloeden moet je naast je neerleggen. Een motorrijder voor je kan bijvoorbeeld ook vallen. Kijk je hiernaar - en uiteraard ga je waar je kijkt - dan zul je niet in staat zijn om te remmen, maar ook onderuitgaan.
Uiteraard dien je bij dit alles wel rekening te houden met het overige verkeer. In dit geval bedoelen we echter dat de kans bestaat op doelfixatie, vooral bij het rijden in een groep. Rijd altijd je eigen lijn, laat je niet afleiden door je teamgenoten!

Alles draait om het snel inprenten van oriëntatie- en merkpunten. Zo kan elke route als het ware gedecodeerd worden. Heb je eenmaal genoeg belangrijke oriëntatie- en merkpunten, dan zie je niet meer elk detail afzonderlijk, maar heb je in een keer het overzicht over het grote geheel. Dit zal je enorm helpen je zelfvertrouwen te vergroten en het nemen van bochten een stuk vergemakkelijken.

Uiteraard is dit op het circuit van uitzonderlijk belang, maar vergeet niet dat deze regels ook uitstekend van toepassing zijn op de openbare weg. Zelfs je dagelijkse route kun in je in markante punten onderverdelen om het vervolgens succesvol uit te kunnen lezen.
Opperste concentratie, je blik vooruit, je niet af laten leiden door degene voor je en uitsluitend daarheen kijken waar je heen wilt. Zo zul je ook op onbekende stukken weg snel overzicht krijgen. Er zijn veel soorten bochten, overzichtelijke, onoverzichtelijke, dat maakt allemaal niet uit. Het bovenstaande principe is op alle soorten bochten van toepassing.

Toepassing in de praktijk
Je kiest de beste uitgangspositie van waaruit je de bocht neemt, zodat je optimaal de bocht door kunt kijken. Ga bij het nemen van bochten niet te snel aan de binnenkant van de bocht rijden, want dat vermindert je overzicht op de bocht en wat zich erachter bevindt. Probeer zo diep mogelijk in de bocht te kijken, naar je eerste oriëntatiepunt. Probeer al rijdende het begin van het nieuwe rechte stuk te zien. Op een gegeven moment zie je het begin van het rechte stuk. Laat je blik langs de apex van de bocht scheren. De apex is een ingebeeld punt op de binnenkant van de bocht van waaruit je het begin van het rechte stuk kunt zien. Heb je de apex bepaald, houd je blik dan daar niet op gefixeerd, maar blijf naar het uiteinde van de bocht kijken, over de apex heen. Draai bij dit alles je hoofd zoveel mogelijk naar de richting waar je heen wilt, waarbij je in principe je ogen altijd vooruit gericht laat. Over het algemeen betekent dit dat je de bocht voor meer dan driekwart aan de buitenzijde zult rijden (zie groene lijn), omdat de apex zo ver ligt. Je stuurt richting apex, ben je de apex gepasseerd, dan kun je beginnen met uitaccelereren en naar buiten sturen, waarbij je het volgende oriëntatiepunt in het zicht houdt. Bij dit alles heb je de merkpunten onbewust vastgesteld en dienovereenkomstig gehandeld.

 

Gevarenzone

Veel motorongelukken gebeuren uitgerekend in bochten. Elke keer dat je een onoverzichtelijke bocht nadert, loop je extra gevaar. Negen van de tien ongelukken gebeuren als de motor in de baan van het tegemoetkomend verkeer raakt of in een bocht van de weg af raakt. Laat dit een waarschuwing zijn om voldoende snelheid te minderen en niet in de statistieken te belanden.

De conditie van het wegdek is voortdurend aan verandering onderhevig. Gespilde brandstof in een bocht is funest voor de grip van je banden. Een goede motorrijder kan hiermee omgaan, maar alleen als hij daarvoor de nodige ervaring opgedaan heeft. Elke weg is anders. Het wegoppervlak is deel van je rijomgeving, net als het weer of de verkeersdichtheid, en je zult hier aandacht aan moeten besteden wil je veilig overkomen.

De realiteit is dat je onvermijdelijk slechte wegcondities zult tegenkomen, en dan kun je er maar beter op voorbereid zijn. Begin met een goede observatie; neem waar, schat in, en ga er vervolgens op een goede manier mee om. Door een bocht ruim in te zetten heb je een beter zicht. Probeer krap te eindigen, zodat je tijd overhoudt om je snelheid aan te passen en ruimte hebt voor eventuele missers.

Het belangrijkste is om je hoofd uit de gevarenzone te houden. Tegemoetkomend verkeer wil nog wel eens de middenlijn afsnijden om de bocht sneller te kunnen nemen. Rijd je bij het nemen van een linkerbocht te veel naar de middenlijn en komt er iemand uit tegenovergestelde richting, dan kun je doordat je motor naar links gekanteld is, makkelijk met je hoofd in aanraking komen met dit voertuig. Een levensgevaarlijke situatie! Vaak zul je je motor rechtzetten voordat je over iets glibberigs rijdt. Ligt er echter veel vuil in een bocht, dan kun je door het rechtzetten van je motor makkelijk over de middenstreep raken. Doe dit dan dus niet, maar pas in dit geval je snelheid aan.

Door op deze manier een bocht te nemen, zul je deze wat langzamer inzetten, maar er uiteindelijk sneller uit kunnen accelereren als het zicht goed is.

Start wijd voor goed zicht
Scan voortdurend het wegoppervlak af
Probeer krap te eindigen
Blijf uit de gevarenzone

Panoramablik in een bocht

Je rijdt waarnaar je kijkt. Eigenlijk is het beter om te zeggen: je kijkt waarheen je wilt. Dit is de stelregel als het gaat om kijktechniek bij het motorrijden. Je kijkrichting als motorrijder behelst veel meer dan alleen het juiste doel in het vizier nemen. Zonder een juiste kijktechniek zul je nooit werkelijk je doel kunnen verwezenlijken. En wat is je doel bij het motorrijden? Dat is onder andere veilig rijden, plezierig rijden, de techniek goed beheersen. Dat alles valt of staat met een juiste kijktechniek. Je kijktechniek bepaalt in hoge mate hoe vlot je de bocht doorkomt.

Oriëntatiepunten
Alles draait bij het motorrijden om ver vooruit te kijken en niet naar het gedeelte waar je je op dat moment bevindt. Focus je niet op de paar meter voor je voorband, maar kijk ver door de bocht heen. De juiste oriëntatie is belangrijk, omdat je anders nooit in staat bent eventuele risico's van tevoren in te schatten. Het geheim is jezelf duidelijke (oriëntatie)punten voor ogen te houden. Dat is vooral van toepassing in bochten. Door deze punten krijg je houvast, wordt een bocht minder eng en wordt je zelfvertrouwen vergroot. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rem- en kantelpunten, als inleiding op komende gebeurtenissen. Bij het verlaten van de bocht je blik alvast op het volgende punt (doel) gericht. Je rijdt dus in een bocht, waarbij je je blik al zover mogelijk in de rijrichting werpt, naar een (oriëntatie)punt dat al zichtbaar is. Dat punt - dat je dus kunt zien - ligt bij de bochtuitgang of alweer op het rechte gedeelte. Op weg daarheen zie je eigenlijk alleen dat punt, waarbij je over of langs andere punten voorbij rijdt die je vertellen dat je goed zit. Dat zijn belangrijke steunpunten bij het opbouwen van je panoramablik. Deze minder belangrijke punten zie je niet bewust en noemen we daarom in het vervolg merkpunten. Is het gekozen oriëntatiepunt bijna bereikt, kijk dan weer naar het volgende oriëntatiepunt, richt de gekozen rijlijn daarop en behandel het vorige oriëntatiepunt als merkpunt voor het bepalen van je lijn.

Merkpunten
We stellen dus bijna onbewust het passeren van diverse merkpunten vast, en wel om vanaf het beginpunt van de bocht naar de uitgang toe voortdurend controle te hebben over het stuk weg dat we rijden. Die merkpunten kunnen alle mogelijke vaste punten op een stuk weg zijn die je zien kunt, zoals een gat in het asfalt, een geverfde markering op de weg of een donkere vlek. Al bij het overzien van het gedeelte dat je rijdt en in je perifere gezichtsveld dienen zich deze merkpunten te bevinden, anders wordt je aandacht te veel van je oriëntatiepunt en de juiste lijn afgeleid (waar je heenkijkt, ga je heen). Binnen je panoramablik zie je al de merk- en oriëntatiepunten, en alles wat zich voor je afspeelt, waarbij je slechts kort je aandacht afhaalt van je oriëntatiepunt naar de merkpunten, om ervan verzekerd te zijn dat je op de goede weg bent. Uitsluitend je aandacht wisselt binnen je gezichtsveld, niet je blik!

Signalen
Elke keer wanneer je je oriëntatiepunt bereikt hebt, zul je over je merkpunten heen gereden zijn. Deze geven je de boodschap als: oppassen, afremmen, nu gas bijgeven, en boodschappen als: links voorbij rijden, dat houdt in dat je ook zaken als gaten in de weg en dergelijke beheerst. Zo kun je op bekend terrein de dingen alvast voorprogrammeren. De merkpunten moeten een duidelijke betekenis voor je hebben. het maakt niet uit wat het punt is en waar het ligt, als het je maar op het juiste moment aan het juiste herinnert.

Panoramablik
Je scant zo het gedeelte van de weg met alle details, zonder daarvoor veel van je aandacht te gebruiken, want het gaat erom bij je blik naar je oriëntatiepunt je aandacht kort over de merkpunten te laten gaan. Je richt je aandacht kort daarop, echter niet je ogen. Niet het heen en weer springen van je ogen, maar de wisselen van de aandacht in je gezichtsveld stuurt je blik en zorgt voor een wijde blik. Wanneer je na enige oefening de merkpunten juist stelt, zul je merken dat je het stuk weg in enkele je goed bekende meters kunt onderverdelen. De merkpunten helpen je herinnering aan dit gedeelte van de weg en wat er zich voordoet. Eén merkpunt is nuttig, twee zijn al beter en drie of vier merkpunten geven je plots het overzicht met welke ruimte in deze bocht je nog kunt werken.
Al bij het afremmen voor een bocht is het belangrijk je lijn in de bocht te bepalen en een oriëntatiepunt te kiezen. Zonder oriëntatiepunt of merkpunten mis je de oriëntering voor het punt waarop je moet remmen, waarop je je motor inkantelt, je lijn in de bocht, de passende snelheid en ga zo maar door.
Laat je niet door motorrijders voor je van de wijs brengen. Door je op je collega voor je te fixeren, rijd je niet meer je eigen lijn en bestaat het gevaar dat je daardoor van je eigen rijlijn afgeleid wordt. Rijders voor je zou je eigenlijk moeten beschouwen als een storende vlieg op een beeldscherm. Hierdoor laat je je niet afleiden, storende optische invloeden moet je naast je neerleggen. Een motorrijder voor je kan bijvoorbeeld ook vallen. Kijk je hiernaar - en uiteraard ga je waar je kijkt - dan zul je niet in staat zijn om te remmen, maar ook onderuitgaan.
Uiteraard dien je bij dit alles wel rekening te houden met het overige verkeer. In dit geval bedoelen we echter dat de kans bestaat op doelfixatie, vooral bij het rijden in een groep. Rijd altijd je eigen lijn, laat je niet afleiden door je teamgenoten!

Alles draait om het snel inprenten van oriëntatie- en merkpunten. Zo kan elke route als het ware gedecodeerd worden. Heb je eenmaal genoeg belangrijke oriëntatie- en merkpunten, dan zie je niet meer elk detail afzonderlijk, maar heb je in een keer het overzicht over het grote geheel. Dit zal je enorm helpen je zelfvertrouwen te vergroten en het nemen van bochten een stuk vergemakkelijken.

Uiteraard is dit op het circuit van uitzonderlijk belang, maar vergeet niet dat deze regels ook uitstekend van toepassing zijn op de openbare weg. Zelfs je dagelijkse route kun in je in markante punten onderverdelen om het vervolgens succesvol uit te kunnen lezen.
Opperste concentratie, je blik vooruit, je niet af laten leiden door degene voor je en uitsluitend daarheen kijken waar je heen wilt. Zo zul je ook op onbekende stukken weg snel overzicht krijgen. Er zijn veel soorten bochten, overzichtelijke, onoverzichtelijke, dat maakt allemaal niet uit. Het bovenstaande principe is op alle soorten bochten van toepassing.

Toepassing in de praktijk
Je kiest de beste uitgangspositie van waaruit je de bocht neemt, zodat je optimaal de bocht door kunt kijken. Ga bij het nemen van bochten niet te snel aan de binnenkant van de bocht rijden, want dat vermindert je overzicht op de bocht en wat zich erachter bevindt. Probeer zo diep mogelijk in de bocht te kijken, naar je eerste oriëntatiepunt. Probeer al rijdende het begin van het nieuwe rechte stuk te zien. Op een gegeven moment zie je het begin van het rechte stuk. Laat je blik langs de apex van de bocht scheren. De apex is een ingebeeld punt op de binnenkant van de bocht van waaruit je het begin van het rechte stuk kunt zien. Heb je de apex bepaald, houd je blik dan daar niet op gefixeerd, maar blijf naar het uiteinde van de bocht kijken, over de apex heen. Draai bij dit alles je hoofd zoveel mogelijk naar de richting waar je heen wilt, waarbij je in principe je ogen altijd vooruit gericht laat. Over het algemeen betekent dit dat je de bocht voor meer dan driekwart aan de buitenzijde zult rijden (zie groene lijn), omdat de apex zo ver ligt. Je stuurt richting apex, ben je de apex gepasseerd, dan kun je beginnen met uitaccelereren en naar buiten sturen, waarbij je het volgende oriëntatiepunt in het zicht houdt. Bij dit alles heb je de merkpunten onbewust vastgesteld en dienovereenkomstig gehandeld.