De juiste lijn

 

In racetermen is de juiste lijn in een bocht die boog door een bocht waardoor je er het snelst doorheen komt. Motorrijders gebruiken betrekkelijk weinig ruimte van de weg en zijn daardoor flexibeler in het kiezen van lijnen dan andere bestuurders. Op het circuit zal de juiste lijn over het algemeen zijn de bocht zo wijd mogelijk ingaan (de buitenste hoek van de baan) en op het laatst mogelijke punt, door de binnenste hoek te snijden, naar het snijpunt (apex) sturen. Doe je dat precies goed, dan kom je met voldoende snelheid uit bij de apex waardoor je optimaal gas kunt geven zonder er aan de buitenkant weer uit te vliegen. (De apex van de bocht is het punt waar je de laagste bochtsnelheid hebt, waar de bocht weer wijder begint te worden en je versnelt).
Elke hoek heeft zijn eigen lijn, afhankelijk van de kromming, breedte, soort en richting van de berm, kuilen, gaten en andere factoren, maar het basisprincipe blijft hetzelfde.

Lang buiten blijven!

Veilig een bocht nemen betekent: lang buiten blijven, zo mogelijk laat omgooien en het snijpunt (apex) liefst zo ver mogelijk naar de buitenkant verleggen! Omdat dat late omgooien tegen onze natuur ingaat, zoveel mogelijk oefenen.
De meeste motorrijders prefereren de binnenkant van de bocht. Te vroeg in de bocht en te laat remmen waardoor ze met een veel te hoge snelheid richting de apex gaan. 'Als ik te snel ben, vlieg ik eruit - hoe eerder ik de bocht in ben, hoe meer ruimte ik heb om de bocht te verlaten'.
Fout! Zie de grafiek.
De rode lijn is een doorsnee motorrijder, zich niet bewust van bovenstaande regel. De markering is het omgooipunt. Gevolg: de motorrijder bevindt zich bij het uitgaan van de bocht in de baan van het tegemoetkomend verkeer (of bij een linkerbocht in de berm - Sleazeball). Rijdt hij te hard, dan raakt hij in paniek en fixeert zich op bijvoorbeeld een boom of iets dergelijks en rijdt de bosjes in, meestal met het achterwiel geblokkeerd.
De groene lijn betekent de veilige lijn, die we gemakshalve verder de 'racelijn' zullen noemen.

Langzaam de bocht in
Je snelheid bepaalt mede je lijn door een bocht. Hoe sneller je de bocht ingaat, hoe beperkter je opties worden. Daarom is het verstandig met een gematigde snelheid een bocht in te gaan. Hoe sneller je in een bocht gaat, hoe meer je de rechte 'racelijn' verplicht bent aan te houden. Matig je snelheid dusdanig dat wanneer je in een bocht voor verrassingen komt te staan, je nog voldoende overhebt om adequaat te kunnen reageren. Afremmen voor de bocht, dan geleidelijk weer gasgeven tot aan het midden van de bocht. Door te veel gas te geven nog voor de bocht afgelopen is kom je te wijd uit, maak je een slide of raak je van de weg af. Draai je het gas helemaal dicht, dan wordt 70 tot 80 procent van het gewicht van de motor naar voren verplaatst terwijl die eigenlijk maar 35 tot 40 procent kan verwerken. Dit kan je bij glad wegdek in de problemen brengen.
Het gas dient na het eerste aanspreken vloeiend en gelijkmatig verder te worden opengezet tot aan de exit voor volle acceleratie. Door deze methode wordt de beste wegligging tijdens hellingshoeken bereikt. Accelereren stabiliseert de motor en maakt het nemen van een bocht makkelijker.

De 'racelijn' in een bocht heeft bij lage snelheden ook voor wegmotorrijders enkele voordelen. Minimale krachten worden op je banden en andere delen uitgeoefend en je hebt een minimale hellingshoek nodig. Door ruim in de bocht te zetten, merk je tegemoetkomend verkeer en hindernissen eerder op. Als er iets gebeurt in het midden van de bocht heb je nog genoeg grip over om te remmen, accelereren of je lijn aan te scherpen. Je hebt niet de hele rijbaan nodig, maar laat aan beide kanten wat ruimte over en wat meer tussen jou en het tegemoetkomend verkeer. Doordat je verder vooruit kunt kijken kun je de bocht sneller nemen.

Regeren is vooruitzien

Nou is de weg een stuk onvoorspelbaarder dan het circuit. Condities van bochten veranderen soms met de seconde. Obstakels en gevaren doemen in een keer op en de juiste lijn is maar al te snel de verkeerde lijn. Kijk daarom altijd ver vooruit de bocht in. Kijk heen en terug langs de lijn die je van plan bent te volgen om problemen en gevaren te ontdekken. Tegen de tijd dat je de bocht neemt moet je klaar zijn om ver vooruit te kunnen kijken naar het eind van de bocht of de volgende bocht. Nooit op één punt vlak bij je focussen, omdat je je anders niet adequaat kunt voorbereiden en reageren als zich iets onverwachts voordoet.

Gevaren

Door de risico's op de openbare weg zul je vaak het idee van de optimale lijn moeten laten varen en een lijn rijden die je niet in gevaar brengt. Vaak zul je in grote steden de binnenste lijn in een bocht aanhouden omdat daar de minste wegvervuiling (brandstof, koelvloeistof etc.) plaatsvindt. De meeste olieresten e.d. worden namelijk in het midden van de rijbaan gespild of aan de buitenkant van de bocht (centrifugaalkracht).
In de heuvels/bergen zul je soms een wijde bocht nemen om los zand en andere rommel die naar beneden gevallen is te ontwijken.
Volgt de ene bocht kort na de andere, dan zul je ook je lijn moeten wijzigen.

Blinde bochten
Blinde bochten vereisen een lijn die voor veel flexibiliteit zorgt. In een blinde bocht kun je op tegemoetkomend verkeer stuiten dat ook de binnenbocht neemt. Diverse andere problemen kunnen op de loer liggen: kapotte voertuigen, vuil, U-bochten, noem maar op. De lijn in een blinde bocht moet daarom ruimte overlaten voor alles, inclusief stoppen. Door de grootste draai te maken in het gedeelte dat je van tevoren ziet, kun je je risico's verkleinen. Langzaam de bocht in en accelereren (of ontwijken) als je door de bocht kunt kijken.

Hellingshoek

Op bikes met een beperkte hellingshoek kan de 'racelijn' de kans op slepen verkleinen. Zo ver mogelijk kantelen om de bocht te nemen kan namelijk wel eens de bochtbeperkingen van je motor overstijgen. Wees op de hoogte van de maximale veilige hellingshoek van je motor, vooral op een cruiser. Een beetje slepen van de onderkant is meestal niet gevaarlijk, als het je vermogen om de motor weer rechtop te zetten daardoor maar niet beperkt.

De fout ingegaan
Een te hoge snelheid in een bocht is een van de belangrijkste oorzaken van eenzijdige motorongelukken. Denk niet dat die hoge snelheid je wel de bocht doortrekt. Snelheid versterkt je fouten alleen maar. Zet je je motor rechtop als je beseft dat je te hard rijdt, dan kun je optimaal remmen, maar waarschijnlijk van je weghelft raken. Een te hoge snelheid zorgt bovendien dat je vaak niet bewust een omgooipunt kiest. Het hebben en gebruikmaken van bewust gekozen omgooipunten is essentieel. Het maakt de aandacht vrij zodat je in de gelegenheid bent vooruit te denken door het meest exacte timingpunt vast te kunnen stellen voor iedere handeling die nodig is. Zelfs het verkeerd gekozen omgooipunt is veel beter dan helemaal geen gekozen omgooipunt, omdat de aandacht dan toch vrijgemaakt zal zijn.
Heb je het probleem snel genoeg in de gaten, gas dicht, uiterst voorzichtig iets remmen, bocht aanscherpen en naar het snijpunt (apex) van de bocht draaien. Zet je motor rechtop als hij naar het verste punt door de bocht dat je kunt zien gericht staat en rem met volle kracht. Daardoor ben je hopelijk voldoende afgeremd om weer te kunnen draaien voor je je rijstrook afvliegt.
Beter is het van tevoren je snelheid aan te passen. Wat de meeste rijders ervaren als bochtenproblemen, zijn in het gros van de gevallen gewoon remproblemen...

 

Op deze foto kun je duidelijk een correctie van een te vroege apex zien. De motorrijder corrigeert een vroege apex door de motor laag in de bocht te houden. Je ziet dat de hoek van het voorwiel naar de buitenkant van de bocht gericht staat. Door hard tegen te sturen behoudt hij zijn hellingshoek. Dit gaat ten koste van de acceleratie. Normaal gesproken zou de motor zich alweer van de bocht losgemaakt hebben en meer verticaal tegen de hoek van de bocht gericht zijn.

In het kort:

  • Constante-radius-bocht: begin aan de buitenkant van de bocht, apex in het midden van de bocht — rijd naar de binnenkant en rijd er aan de buitenkant weer uit.
  • Toenemende-radius-bocht: begin aan de buitenkant van de bocht, apex vroeg in de bocht en rijd er aan de buitenkant van de bocht weer uit.
  • Afnemende-radius-bocht: begin aan de buitenkant van de bocht, apex laat in de bocht en rijd er aan de buitenkant van de bocht weer uit.
  • Meerdere bochten: begin aan de buitenkant van de bocht, apex laat voor beide bochten en rijd er aan de buitenkant van de bocht weer uit.
  • Blinde bochten: begin aan de buitenkant, blijf aan de buitenkant totdat de exit zichtbaar is (late apex) en rijd er aan de buitenkant van de bocht weer uit.


Ook al heeft het zo ruim mogelijk naderen van de bocht als voordeel dat je de bocht zo soepel mogelijk met zo min mogelijk kantelen kunt nemen, tegen de middenlijn aanzitten maakt je kwetsbaarder voor tegemoetkomend verkeer.